Storingsboom: wat zie je?

Kies wat er misgaat en loop de controles één voor één af, van de installatie naar de instellingen. Bij de eerste controle die niet klopt, stop je: daar zit waarschijnlijk de oorzaak.

Op deze pagina

In 30 seconden

Werkt iets niet zoals verwacht, zoek dan in een vaste volgorde: van de fysieke installatie naar de instellingen. Zo vind je de oorzaak zonder werkende instellingen te veranderen.

Zo werkt het

Storingen zoeken

Principe

Controleer in deze volgorde:

  1. Fysieke installatie — voeding, bekabeling, montage, sensorpositie.
  2. Verbinding — zijn besturing, gateways en netwerken bereikbaar? Bij een bus zoals DALI: staat de bus onder spanning?
  3. Adressering en plaats — hoort ieder apparaat in de configuratie bij het juiste apparaat in het gebouw?
  4. Groep — zijn armaturen, sensoren en knoppen aan de juiste groepen gekoppeld?
  5. Actieve lichtsituatie en functie — welke scène of stand is actief, en welke functies staan daarin aan?
  6. Instelling — kloppen nalooptijden, basislicht en streefwaarde (de ingestelde lichtwaarde)?
  7. Koppeling — stuurt een tijdschema, automatisering of gebouwbeheer de groep aan?
  8. Test ter plaatse — met echte beweging en genoeg tijd.
Meer uitleg

Veel meldingen hebben een eenvoudige oorzaak: een nalooptijd die nog loopt, een sensor die onverwacht beweging ziet, een andere lichtsituatie die actief is, of een apparaat dat in de configuratie op een andere plek staat dan in het gebouw.

Het licht blijft aan

Blijft alles in een ruimte aan en reageert niets meer, kijk dan eerst naar de verbinding. Bij DALI: heeft de bus spanning?

Zo zoek je het uit

Reageert het licht wel, dan ligt het meestal aan een sensor die nog beweging ziet, een nalooptijd die nog loopt, een zone die meeloopt of een tijdschema.

Controleer:

  1. Verbinding — is de besturing bereikbaar? Bij een DALI-installatie: staat de bus onder spanning? Valt de busspanning weg, dan gaat een DALI-driver naar zijn storingsniveau. Af fabriek is dat vrijwel vol licht, en dan blijft het licht aan, wat de sensor ook meldt.
  2. Detectie — ziet de sensor beweging die je niet verwacht, bijvoorbeeld door een deur, of bij een PIR-sensor (passief infrarood) door een warmtebron?
  3. Groep — aan welke groepen is de sensor gekoppeld?
  4. Functie — staat de aanwezigheidsdetectie voor deze groep aan in de actieve lichtsituatie?
  5. Meelopende zones — is er iemand in een zone waarmee deze groep meeloopt?
  6. Instelling — heb je de nalooptijd en die van het basislicht volledig afgewacht?
  7. Koppeling — roept een tijdschema, automatisering of gebouwbeheer een lichtsituatie op?
  8. Test — test opnieuw met een lege ruimte.

Het licht gaat niet aan

Controleer eerst de voeding en de verbinding, daarna of het armatuur in de juiste groep zit en hoe de actieve lichtsituatie de groep schakelt.

Zo zoek je het uit

Controleer:

  1. Fysiek — heeft het armatuur netvoeding, en zit het op de verwachte bus?
  2. Verbinding — is de besturing of gateway bereikbaar? Bij een bus zoals DALI: staat de bus onder spanning?
  3. Plaats — reageert het juiste armatuur als je het in de configuratie laat knipperen?
  4. Groep — zit het armatuur in de groep die je bedient of test?
  5. Functie — staat de groep op afwezigheidsdetectie? Dan gaat het licht pas aan na een druk op de knop.
  6. Handmatig uit — is de groep kort geleden met een knop uitgeschakeld? In veel systemen gaat het licht dan pas weer vanzelf aan na een periode zonder aanwezigheid.
  7. Test — test opnieuw ter plaatse, per groep.

Eén armatuur doet het niet

Werkt de rest van de groep wel, dan zit de oorzaak meestal bij dit ene armatuur: zijn voeding, zijn aansluiting of zijn plek in de configuratie. Begin daar, niet bij de besturing.

Zo zoek je het uit

Controleer:

  1. Fysiek — heeft dit armatuur netvoeding, en is het op de bus of het netwerk aangesloten zoals de andere?
  2. Plaats — laat het armatuur in de configuratie knipperen. Knippert er een ander armatuur, dan klopt de plek in de configuratie niet met de plek in het gebouw.
  3. Groep — zit het armatuur in dezelfde groep als de armaturen die wel reageren?
  4. Melding — toont de besturing of het beheersysteem een storing voor dit armatuur?
  5. Vervangen — vervang pas iets als voeding, aansluiting en configuratie kloppen. Bij DALI heeft een nieuwe driver af fabriek geen adres. Werkt het systeem met adressen, dan krijgt hij daarna een adres en een groep.
  6. Test — test het armatuur daarna samen met de rest van de groep.

De sensor reageert niet

Controleer de plek en het detectieveld (het gebied waarin de sensor beweging kan zien), of de sensor in de configuratie staat en aan welke groepen de sensorfuncties zijn gekoppeld.

Zo zoek je het uit

Controleer:

  1. Fysiek — is de sensor aangesloten en gemonteerd op de afgesproken plek?
  2. Detectieveld — ligt de plek waar mensen zijn binnen het veld, zonder obstakels ertussen?
  3. Plaats — staat de sensor in de configuratie, en reageert de juiste sensor als je hem identificeert?
  4. Groep — zijn de sensorfuncties aan de juiste groepen gekoppeld?
  5. Functie — staat aanwezigheidsdetectie of daglichtregeling voor die groepen aan?
  6. Test — beweeg in het detectieveld en kijk of de juiste groepen reageren. Een PIR-sensor vraagt bij zittend werk een plek dichtbij.

De verkeerde groep reageert

Meestal klopt de configuratie niet met de werkelijkheid: een armatuur staat op de verkeerde plek of in de verkeerde groep, of een sensor of knop is aan andere groepen gekoppeld.

Zo zoek je het uit

Controleer:

  1. Plaats — laat de armaturen van de groep knipperen: knipperen precies de armaturen die je verwacht?
  2. Groep — staan alle armaturen in de juiste groep?
  3. Sensor of knop — aan welke groepen is de sensorfunctie of de ingang gekoppeld?
  4. Lichtsituatie — stuurt de opgeroepen scène meer groepen aan dan je verwacht?
  5. Meelopende zones — loopt er een andere zone mee?
  6. Test — test per groep opnieuw, met één handeling tegelijk.

Goed om te weten

  • Verplaats of hernoem niets op basis van een aanname. Stel eerst ter plaatse vast welk armatuur waar zit.

De daglichtregeling werkt vreemd

Controleer welke groepen de lichtsensor regelt, welke regeling actief is, en of de streefwaarde (de ingestelde lichtwaarde) ter plaatse is gekalibreerd.

Zo zoek je het uit

Controleer:

  1. Fysiek — zit de lichtsensor op de afgesproken plek, en ziet hij niet vooral een armatuur of direct zonlicht?
  2. Groep — aan welke groepen is de lichtfunctie van de sensor gekoppeld? De gevelzone en de binnenzone vragen vaak een andere regeling.
  3. Functie — staat de daglichtregeling in de actieve lichtsituatie aan, of een vast niveau?
  4. Handmatig gedimd — is de groep met een knop gedimd? Dan kan de regeling zijn onderbroken.
  5. Instelling — is de daglichtregeling ingesteld volgens de methode van het systeem, en klopt het resultaat ter plaatse als je meet met een luxmeter?
  6. Test — test bij verschillende daglichtsituaties, niet op één moment.

Een knop doet niets

Controleer of de knop goed op de drukknopinterface is aangesloten, of de ingang een functie heeft en of er een vergrendeling actief is.

Zo zoek je het uit

Controleer:

  1. Fysiek — is de knop op de interface aangesloten, en de interface op de bus?
  2. Plaats — staat de interface in de configuratie?
  3. Functie — heeft de ingang een functie, en aan welke groepen of scènes is die gekoppeld? Wat gebeurt er bij kort en bij lang drukken?
  4. Soort contact — is de ingang ingesteld op wat er echt is aangesloten: een drukknop of een schakelaar?
  5. Vergrendeling — ligt de lichtsituatie vast door een vergrendelfunctie?
  6. Test — druk kort en lang, en controleer per groep wat er gebeurt.

Een apparaat wordt niet gevonden

Zoek de oorzaak eerst in de installatie: voeding, bekabeling en verbinding. Bij een bus zoals DALI ook: de juiste bus en de busvoeding.

Zo zoek je het uit

Controleer:

  1. Fysiek — heeft het apparaat voeding, en zit het op de verwachte bus?
  2. Bus (bij DALI) — staat de bus onder spanning? Meet tussen de twee busdraden: in rust is dat typisch 16 V. Meet je bijna niets, controleer dan de busvoeding en zoek naar kortsluiting. Vragen de apparaten samen niet meer stroom dan de busvoeding levert? Alle busvoedingen samen mogen hooguit 250 mA leveren.
  3. Bekabeling — is de bus ergens onderbroken? Bij DALI ook: is de bus niet als gesloten ring aangelegd? En is hij niet te lang? Aanbevolen is hooguit 300 m tussen de verst uiteenliggende apparaten.
  4. Adressen — is de adresruimte vol, of hebben twee apparaten hetzelfde adres?
  5. Zoekactie — voer de zoekactie pas opnieuw uit als de installatie in orde is. Op een installatie die al in bedrijf is: maak eerst een back-up.
  6. Test — controleer daarna of het juiste fysieke apparaat reageert als je het identificeert.

Broadcast werkt, een adres of groep niet

Norm

Dit is een DALI-situatie. Nieuwe DALI-drivers reageren af fabriek op broadcast (één opdracht voor alle drivers tegelijk), ook zonder adres.

Zo zoek je het uit

Norm

Dat broadcast werkt, zegt dus dat de bus en de drivers werken, niet dat de adressen en groepen kloppen.

Controleer:

  1. Adres — hebben de drivers al een adres? Zonder adres reageren ze alleen op broadcast.
  2. Groep — zitten de drivers in de groep die je aanstuurt? Lid zijn van een groep verhindert broadcast niet: dat broadcast werkt, zegt niets over de groepen.
  3. Plaats — laat het adres dat je aanstuurt knipperen: is dat het armatuur dat je verwacht?
  4. Dubbel adres — hebben twee drivers hetzelfde adres?
  5. Zender — stuurt de knop, sensor of besturing naar het adres of de groep die je verwacht?
  6. Test — stuur één opdracht naar één adres, en daarna naar de groep.

Het gebouwbeheer ziet niets

Werkt het licht zelf goed, dan zit het probleem meestal in de koppeling: het netwerk ertussen, de instellingen van de koppeling of de afspraken over welke gegevens er zijn. Zoek de oorzaak samen met de partij die het gebouwbeheer verzorgt.

Zo zoek je het uit

Controleer:

  1. Licht — werkt de lichtregeling zelf? Zo niet, zoek dan eerst daar.
  2. Netwerk — kunnen de koppeling en het gebouwbeheer elkaar bereiken? Bij gescheiden netwerken: laat de firewall dit verkeer door?
  3. Koppeling — staat de koppeling in de lichtregeling aan, en passen de instellingen aan beide kanten bij elkaar?
  4. Gegevens — biedt de koppeling de gegevens of functies die het gebouwbeheer zoekt? Niet alle koppelingen bieden dezelfde functies; vergelijk daarom met de afgesproken lijst van gegevens.
  5. Namen — gebruikt het gebouwbeheer de namen of adressen die de lichtregeling doorgeeft?
  6. Test — test samen met de gebouwbeheerpartij, één gegeven of opdracht tegelijk.

Goed om te weten

  • Leg vooraf vast wie de koppeling ontwerpt, instelt, test en beheert. Anders zoekt iedere partij de oorzaak bij de ander.

Goed om te weten

  • Begin niet met resetten, opnieuw adresseren of een noodoplossing: zoek eerst de oorzaak in deze volgorde. Is een nieuwe zoekactie of adressering toch nodig op een installatie die al in bedrijf is, maak dan eerst een actuele back-up.