Een kantoorruimte door de dagKijk wat het licht doet als iemand binnenkomt en gaat werken, als het daglicht verandert en als de ruimte weer leeg raakt. Kies automatisch of handmatig aanzetten, schuif door de tijdlijn of zet het detectieveld en de lichtgroepen aan. De besturing kan in de sensor zelf zitten of een apart apparaat zijn.
SensorInvoerapparaatSensor met besturingInvoerapparaat+ besturingInvoerapparaat+ besturing+ busvoedingBesturingBesturingBesturing+ busvoedingDriverDriverBusvoeding
  • Sensor
  • Invoerapparaat
  • Sensor met besturing
  • Invoerapparaat + besturing
  • Invoerapparaat + besturing + busvoeding
  • Besturing
  • Besturing
  • Besturing + busvoeding
  • Busvoeding
  • Driver
  • Driver
Bekijk hoe dit is opgebouwd

De functie blijft hetzelfde: iemand komt binnen en het licht reageert. Wat verschilt, is waar de beslissing valt en hoe de opdracht de armaturen bereikt. Maak hieronder een keuze; de ruimte laat het verschil zien.

Waar zit de besturing?

De sensor geeft door wat hij ziet. Een aparte besturing bepaalt vervolgens wat de verlichting moet doen.

De sensor ziet niet alleen wat er gebeurt, maar bevat ook de besturing die bepaalt wat de verlichting moet doen.

Hoe gaat de opdracht naar de armaturen?

Broadcast betekent: één opdracht voor alle armaturen op deze DALI-bus. Ze reageren dus samen, en de besturing hoeft geen afzonderlijke drivers aan te spreken. Kijk wat er gebeurt bij meer daglicht: ook de armaturen verder van het raam dimmen mee.

Bij een geadresseerde regeling krijgt iedere driver een eigen adres en komt hij in een groep. Zo kan de besturing afzonderlijke armaturen of groepen verschillende opdrachten geven, hier de gevelzone en de binnenzone.

Weergave
Waar zit de busvoeding?

De DALI-bus heeft een busvoeding nodig. Vaak zit die in de besturing, maar dat hoeft niet.

Technische verdieping
  • Sensor + aparte besturing: De sensor is hier een DALI-2-invoerapparaat (input device): hij meldt wat hij ziet, maar stuurt het licht niet zelf aan. De besturing (application controller) zit elders in het systeem. Ook de drukknop is hier een invoerapparaat op de DALI-bus.
  • Sensor met besturing: De sensor en de besturing (application controller) zitten in hetzelfde product. De drukknop is in dit voorbeeld met een eigen draad aangesloten op een ingang van de sensor.
  • De DALI-rollen hebben officieel Engelse namen; hier heten ze: invoerapparaat (input device, een sensor of drukknop die meldt wat er gebeurt), besturing (application controller, beslist wat het licht doet), driver (control gear, stuurt de led in het armatuur aan) en busvoeding (bus power supply).
  • Een fysiek product kan meerdere rollen combineren: een sensor kan ook een besturing en een busvoeding bevatten.
  • Een single-masterbesturing moet de enige besturing op de DALI-bus zijn.
  • Een multi-masterbesturing kan samen met andere geschikte multi-masterbesturingen op één bus werken.
  • Invoerapparaten zijn multi-master: er kunnen er meerdere op dezelfde bus zitten.
  • Of een besturing single- of multi-master is, en of hij broadcast of groepen gebruikt, hangt af van het product, niet van waar hij hangt.
  • De busvoeding kan in de besturing zitten. Er zijn ook besturingen zonder eigen busvoeding: dan komt er een losse busvoeding op de bus. Ook een ander geschikt DALI-product kan de bus voeden, zoals een D4i-driver (een driver met een eigen, ingebouwde busvoeding).
  • Alle busvoedingen op één bus leveren samen maximaal 250 mA.

Van drukknop tot lichtmanagement: alle opbouwvarianten stap voor stap

Automatisch aan

  1. Leeg. De ruimte is leeg en het licht is uit. De sensor blijft actief.
  2. Binnenkomen. Iemand komt binnen. De sensor ziet beweging en geeft dat door; de besturing zet beide lichtgroepen aan.
  3. Aan het werk. Iemand gaat aan het bureau zitten. Zolang de sensor iemand ziet, blijft het licht aan. Een geschikte, goed geplaatste sensor ziet ook de kleine bewegingen van iemand die zit te werken.
  4. Meer daglicht. Er valt meer daglicht binnen. De gevelzone dimt flink terug, de binnenzone een beetje: samen blijft het lichtniveau op peil. Daarvoor regelt de besturing de zones apart: iedere zone meet zelf het licht, of de binnenzone loopt mee met de gevelzone en dimt steeds een vast deel minder.
  5. Minder daglicht. Neemt het daglicht af, dan regelt de besturing de gevelzone weer op.
  6. Vertrek. Het werk zit erop: de medewerker loopt naar de deur en verlaat de ruimte. Het licht blijft aan zolang de sensor nog iemand ziet.
  7. Nalooptijd. De sensor ziet niemand meer. Het licht blijft nog even aan: de nalooptijd loopt. Zo gaat het licht niet uit als iemand even stilzit of kort de ruimte uit is.
  8. Basislicht. Na de nalooptijd dimt het licht naar een laag basisniveau. Wie nu terugkomt, staat niet in het donker.
  9. Uit. Na enige tijd gaat ook het basislicht uit. Die tijden stel je in per sensor, groep of ruimte, afhankelijk van het systeem.

Handmatig aan

  1. Leeg. De ruimte is leeg en het licht is uit.
  2. Binnenkomen. Iemand komt binnen. De sensor ziet het, maar het licht gaat niet vanzelf aan: de gebruiker beslist.
  3. Knop. Iemand drukt op de knop bij de deur. De besturing zet beide lichtgroepen aan.
  4. Aan het werk. Iemand gaat aan het bureau zitten. Vanaf nu let de sensor alleen op of er nog iemand is.
  5. Vertrek. De medewerker loopt naar de deur en verlaat de ruimte.
  6. Nalooptijd. De sensor ziet niemand meer: de nalooptijd start, net als bij „Automatisch aan”.
  7. Uit. Daarna gaat het licht vanzelf uit. Uitzetten gaat dus automatisch; alleen aanzetten doe je zelf. Dit heet ook wel afwezigheidsdetectie.
Op deze pagina

In 30 seconden

Een aanwezigheidssensor merkt of een ruimte wordt gebruikt. Zolang er iemand is, brandt het licht op het ingestelde niveau.

Meer in het kort

Is er niemand meer, dan blijft het nog even branden (de nalooptijd), gaat het eventueel naar een lager niveau (basislicht) en daarna uit.

Zo werkt het

Aanwezigheid en afwezigheid

Principe

Twee manieren van werken:

  • Aanwezigheidsdetectie — vanzelf aan als de sensor iemand ziet, vanzelf uit als er niemand meer is. Ook wel volautomatisch genoemd.
  • Afwezigheidsdetectie — je zet het licht zelf aan, bijvoorbeeld met een drukknop; de sensor zorgt dat het vanzelf uitgaat als er niemand meer is. Ook wel halfautomatisch genoemd.

Nalooptijd

De tijd dat het licht nog blijft branden nadat de sensor niemand meer ziet.

Meer over Nalooptijd

Na de laatste beweging die de sensor ziet, blijft het licht nog een tijd op hetzelfde niveau: de nalooptijd. Iedere nieuwe beweging laat de nalooptijd opnieuw beginnen. Is de tijd te kort, dan gaat het licht omlaag of uit terwijl iemand stilzit of even buiten het veld is. Is hij te lang, dan brandt het licht onnodig. De juiste tijd volgt uit het gebruik van de ruimte; controleer hem bij de oplevering.

Basislicht

Een lager lichtniveau na de nalooptijd, voordat het licht helemaal uitgaat.

Meer over Basislicht

Met basislicht blijft er na de nalooptijd licht in de ruimte, op een lager niveau. Zo wordt een gang of werkplek niet in één keer donker. Of en hoe lang het basislicht blijft branden, is een ontwerpkeuze. Het werkt ook als waarschuwing: wie nog in de ruimte is, merkt dat het licht dimt. Beweegt hij, dan ziet de sensor hem weer.

Zo is het opgebouwd

Technische uitleg

Voorbeeld

Waarom handmatig aan en vanzelf uit? Voorbeelden:

  • Ruimte met veel daglicht: het licht gaat niet onnodig aan als iemand binnenloopt.
  • Kort gebruik, zoals iets uit een archief pakken: wie genoeg ziet, laat het licht uit.
  • Ruimte die donker moet blijven, zoals een fotostudio: licht alleen als iemand het bewust aanzet.

Voorbeeld

Zo gaat het licht meestal stap voor stap uit als de ruimte leeg raakt. Namen en instelmogelijkheden verschillen per systeem:

  1. Aanwezig — het licht staat op het ingestelde niveau.
  2. Nalooptijd — niemand meer gezien: het licht blijft nog even op dat niveau.
  3. Basislicht (optioneel) — daarna gaat het licht naar een lager niveau, zodat een gang of werkplek niet in één keer donker wordt.
  4. Nalooptijd van het basislicht (optioneel) — na deze extra tijd gaat ook het basislicht uit.
  5. Uit.

Voorbeeld

Veel ruimtes hangen samen: een gang langs kantoren, rijroutes in een parkeergarage. Daar kun je zones laten meelopen: een zone blijft op basislicht zolang er in de zone ernaast iemand is. Zo ontstaan er geen donkere vlakken naast plekken waar mensen zijn.

Principe

Wat je in de praktijk tegenkomt:

  • Gevoelig afgesteld — een sensor voor verlichting staat meestal gevoeliger ingesteld dan een alarmsensor: liever een keer onnodig aan dan uit terwijl er iemand zit.
  • Handmatig uit blijft even uit — zet iemand het licht handmatig uit, dan zetten veel systemen het daarna een tijdje niet vanzelf weer aan.
  • Scène verandert het gedrag — een scène kan tijdelijk een langere nalooptijd geven of overschakelen op handmatig aan, bijvoorbeeld tijdens een toets of film.
  • Fabrieksinstellingen zijn geen ontwerp — ze werken meteen, maar stel de tijden af op het gebruik en test ze in de ruimte zelf.

Goed om te weten

  • Test het gedrag ter plaatse: pas na een fysieke test van beweging, nalooptijden en basislicht is de functie opgeleverd.
  • Een aanwezigheidssensor weet dat er iemand in zijn veld is, niet precies waar of welke kant die persoon op loopt. Wil je onderscheid per plek, dan werk je met meerdere sensoren of zones.
  • Sensorposities en detectievelden volgen uit het ruimtegebruik en de montagehoogte; plan ze per ruimte.