Energie en certificering
Hoe lichtsturing energie bespaart, en wat dat betekent voor normen en certificering.
- Licht uit of lager als niemand het nodig heeft.
- Niet meer licht maken dan op die plek en voor die taak nodig is.
- Later misschien ook: verlichting die meebeweegt met het energiesysteem van het gebouw.
Op deze pagina
In 30 seconden
De bekende besparing zit in afwezigheid, daglicht en tijd: het licht gaat uit of lager als niemand het nodig heeft, als er genoeg daglicht is of na sluitingstijd. Minder bekend is het tweede punt: een lichtinstallatie kan vaak meer licht geven dan op dat moment nodig is. Hieronder zie je waar die ruimte zit en hoe je haar benut. Hoeveel het oplevert, verschilt per gebouw en gebruik.
Lichtreserve
Waarom zou je een nieuwe installatie meteen vol laten branden?
Schuif door de onderhoudsperiode, of speel de animatie af. Vergelijk daarna „Altijd vol” met „Ingeregeld”.
Nieuw. De installatie kan meer licht geven dan nodig. Dat is bewust: ze is ontworpen voor later.Alles brandt vol: er is meer licht dan nodig.
Inregelen. Bij oplevering meet je en regel je in op wat nodig is. Wat over is, blijft reserve.Zonder inregelen blijft alles vol branden. De reserve wordt gewoon opgebrand.
Gebruik. Lichtbronnen worden ouder, armaturen en ruimte vuiler. Wat de armaturen op vol vermogen kunnen geven, neemt af. Door bij te regelen blijft het licht in de ruimte gelijk.Het licht neemt langzaam af, maar er brandt nog steeds meer dan nodig.
Bijregelen. De regeling zet de armaturen iets hoger, zodat het niveau gelijk blijft. De reserve wordt kleiner.Er valt niets bij te regelen: alles brandt al vol.
Einde onderhoudsperiode. Het vereiste niveau is er nog steeds: daarvoor was de reserve. Tijd voor onderhoud volgens het onderhoudsplan.Pas nu krijg je ongeveer wat nodig is. Al die tijd ervoor brandde er meer licht dan nodig.
- Wat de armaturen vol kunnen geven
- Nodig: de onderhouden verlichtingssterkte
- Wat er brandt
- Reserve: licht dat je niet hoeft te makenMeer licht dan nodig
Rekenvoorbeeld: 500 lx nodig en onderhoudsfactor 0,8, dus nieuw berekend 500 / 0,8 = 625 lx. De onderhoudsfactor verschilt per project; het verloop is schematisch.
Kort gezegd
Principe
Een lichtinstallatie wordt zo ontworpen dat ze aan het eind van de onderhoudsperiode nog genoeg licht geeft. Nieuw kan ze daardoor meer licht geven dan nodig. Door goed in te regelen gebruik je alleen het licht dat op dat moment nodig is.
- De onderhoudsfactor is geen dimstand: 0,8 betekent niet dat de armaturen op 80 procent gaan. Je meet bij oplevering en regelt in op wat nodig is.
Meer uitleg
Norm
Lichtbronnen geven in de loop van de tijd minder licht, en armaturen en ruimte worden vuil. Daarom werkt de norm voor werkplekverlichting met een onderhouden verlichtingssterkte: het niveau waar het gemiddelde niet onder mag komen. De lichtontwerper rekent met een onderhoudsfactor, zodat dat niveau er aan het eind van de onderhoudsperiode nog is.
Principe
De berekende nieuwwaarde is de vereiste waarde gedeeld door de onderhoudsfactor. Die factor is geen vast getal: hij hangt af van de lichtbron, het armatuur, hoe vuil de omgeving is en hoe vaak er wordt schoongemaakt en vervangen. 0,8 wordt vaak als rekenvoorbeeld gebruikt, maar is geen vaste waarde uit de norm.
Principe
Dit geldt niet alleen voor kantoren. Ook in magazijnen, industrie, onderwijs en zorg wordt met een onderhoudsfactor ontworpen, en ook daar kan de reserve bij oplevering worden ingeregeld. Waar het vuiler is of minder vaak wordt schoongemaakt, is de onderhoudsfactor meestal lager en de reserve bij een nieuwe installatie dus groter.
Technische uitleg
Principe
Er zijn verschillende manieren om de reserve te benutten. Een centraal systeem is daarvoor niet nodig:
- In de driver (het voedingsapparaat in het armatuur dat de led aanstuurt) — sommige drivers hebben een functie voor constante lichtstroom (constant light output, CLO). Ze beginnen lager en verhogen de stroom geleidelijk volgens een ingesteld profiel over de branduren, zonder sensor. Het profiel volgt de verwachte veroudering van de lichtbron; vervuiling van armatuur en ruimte zit daar niet vanzelf in.
- Met een lichtsensor — een regeling die meet en bijregelt, verhoogt het licht als er minder licht is, ongeacht de oorzaak. Ze meet wel op de plek van de sensor, niet op het werkvlak.
- Door periodiek te meten — opnieuw meten en zo nodig het niveau aanpassen, met de hand of via een programmeerbaar systeem.
Norm
NEN-EN 12464-1:2021 noemt dit principe zelf: een ontwerp op een hoger niveau laat ruimte om met de regeling te werken, en het hogere niveau wordt alleen gebruikt als dat nodig is, bijvoorbeeld gedurende een deel van de dag. De onderhoudsfactor bepaal je volgens ISO/CIE TS 22012, waar de norm naar verwijst. De onderhoudsfactor is het product van vier factoren: de afname van de lichtstroom van de lichtbron, het uitvallen van lichtbronnen, de vervuiling van het armatuur en de veroudering en vervuiling van de ruimte.
Principe
Wat je vastlegt, zodat de beheerder later weet waarop is ingeregeld:
- de onderhoudsfactor en de aannames erachter, zoals reinigings- en vervangingsintervallen;
- het vereiste niveau per ruimte of zone;
- de gemeten waarde en het ingestelde niveau bij oplevering;
- wanneer er opnieuw wordt gemeten, en door wie.
Goed om te weten
- Hoeveel energie dit scheelt, hangt af van de onderhoudsfactor, het gedrag van driver en regeling en hoe vaak er wordt nagemeten. Een vast percentage is er niet.
Licht waar het nodig is
Moet ieder stukje van een kantoor evenveel licht krijgen?
Wijs een zone aan in de tekening of eronder, en vergelijk met overal hetzelfde niveau.
Taakgebied · 500 lx. Waar de taak wordt gedaan: het bureau en de plek van de stoel.
Directe omgeving · 300 lx. Een strook van minstens een halve meter rond het taakgebied.
Achtergrond · 100 lx. De rest van de ruimte, zoals looproutes en de ruimte langs de wanden.
500 lux op een werkplek betekent niet dat iedere vierkante meter van het kantoor 500 lux moet krijgen. Rond de werkplek mag het minder, en verder weg nog minder.
Overal het niveau van de werkplek. Dat kan een bewuste keuze zijn als nog niet vaststaat waar de bureaus komen. Met een programmeerbaar systeem kun je na de inrichting alsnog per zone afstemmen.
Voorbeeld volgens de relatietabel in NEN-EN 12464-1:2021 voor een gewone kantoortaak. Die tabel leidt de niveaus rond het taakgebied af van het niveau op het taakgebied. Welke niveaus gelden, hangt af van de taak en de situatie.
Kort gezegd
Principe
Een hoog lichtniveau op de werkplek betekent niet automatisch dat ieder stukje van het kantoor dat niveau moet krijgen. Rond de werkplek mag het iets minder, en verder weg nog minder. Zo maak je licht waar het nodig is.
- De niveaus in de tekening zijn een voorbeeld, geen vaste maat voor ieder kantoor. Welke niveaus gelden, hangt af van de taak en de situatie.
Meer uitleg
Norm
De norm voor werkplekverlichting, NEN-EN 12464-1, onderscheidt het taakgebied (waar je de taak doet), de directe omgeving (een strook eromheen) en de achtergrond (de rest van de ruimte). Hoeveel licht het taakgebied nodig heeft, hangt af van de visuele taak en de situatie. Voor de directe omgeving en de achtergrond gelden lagere niveaus, afgeleid van het niveau op het taakgebied.
Norm
De norm vraagt meer dan een getal op het bureau, onder andere:
- Gelijkmatigheid — het licht mag over het taakgebied en de omgeving niet te sterk wisselen.
- Verblinding — armaturen mogen niet hinderlijk verblinden.
- Kleurweergave — kleuren moeten goed te herkennen zijn.
- Wanden en plafond — ook die krijgen een minimum, zodat de ruimte niet donker oogt.
Principe
Weet je tijdens het ontwerp nog niet waar de bureaus komen, dan kiezen ontwerpers soms voor een flexibel ontwerp waarin een groot deel van de ruimte het niveau van een werkplek kan halen. Dat is een begrijpelijke keuze, geen fout. Een programmeerbaar lichtmanagementsysteem kan daarna helpen: na de inrichting stem je zones, groepen en niveaus af op het werkelijke gebruik, en bij een nieuwe indeling pas je ze opnieuw aan.
Technische uitleg
Zo leggen normuitleggers de relatie in NEN-EN 12464-1:2021 uit:
- Directe omgeving — een strook van minstens een halve meter rond het taakgebied, met een niveau één stap lager op de schaal van de norm; bij lage taakniveaus gelijk aan het taakgebied.
- Achtergrond — de rest van de ruimte; in grotere ruimtes een strook van minstens drie meter, met een derde van het niveau van de directe omgeving.
- Gelijkmatigheid — in de directe omgeving strenger dan op de achtergrond, de wanden en het plafond.
Goed om te weten
- Hoeveel energie zonering scheelt, hangt af van de indeling, het ontwerp en het gebruik. Daar is geen vast getal voor.
Eenvoudige regeling of lichtmanagement
Wanneer is een eenvoudige regeling genoeg, en wanneer loont een uitgebreider systeem?
Kies een opbouw en zie wat er in hetzelfde kantoor verandert.
Eenvoudige regeling: sensor → lichtgroep
Wat het doet:
- Aanwezigheid: aan, uit of terug naar een lager niveau.
- Daglicht: de groep dimt mee.
- Dimmen met een knop in de ruimte.
Past goed bij: kleine ruimtes en ruimtes met vast gebruik, zoals een toilet, berging, gang of klein kantoor.
Lichtmanagement: sensoren + groepen + logica
Wat het doet:
- Zones die elk anders reageren.
- Een eigen niveau per zone.
- Scènes en tijden.
- Groepen en niveaus later aanpassen als de indeling verandert.
- Centraal beheren en controleren.
- Koppelen met gebouwbeheer, als het systeem dat ondersteunt.
Past goed bij: grotere of veranderende ruimtes, veel ruimtes onder één beheer, of wanneer je gegevens wilt gebruiken.
Kort gezegd
Principe
Een sensor die één groep armaturen regelt op aanwezigheid en daglicht, is voor een eenvoudige ruimte vaak een uitstekende oplossing. Hoe meer je wilt afstemmen op plaats, tijd, functie en verandering, hoe waardevoller programmeerbaarheid en beheer worden.
Meer uitleg
Principe
Een uitgebreider systeem loont als:
- één ruimte delen heeft die anders moeten reageren, zoals de gevelzone en de binnenzone;
- verschillende plekken een ander niveau nodig hebben;
- het gebruik over de dag verschilt, met scènes, vaste tijden of schoonmaak;
- de indeling verandert en je groepen en niveaus later wilt aanpassen zonder nieuwe bekabeling;
- je veel ruimtes centraal wilt beheren en controleren, of wilt koppelen met gebouwbeheer.
Principe
Een eenvoudige regeling is geen mindere keuze. In een toilet, berging, gang of klein kantoor met vast gebruik doet een sensor met aanwezigheid en daglicht vaak precies wat nodig is, met weinig instellingen en weinig om te beheren. Ook die stel je in: het niveau, de nalooptijd (hoe lang het licht aanblijft nadat iemand is weggegaan) en de daglichtregeling.
Technische uitleg
Principe
Het verschil tussen een eenvoudige regeling en lichtmanagement zit vooral in hoeveel zones en logica je kunt combineren, en in hoe makkelijk je veel ruimtes later wijzigt, controleert en met elkaar vergelijkt. Welke functies er zijn, zoals scènes, tijden of een koppeling met gebouwbeheer, verschilt per systeem.
Inregelen
Is een zuinig armatuur genoeg?
- Lichtberekening — wat er nodig is, en met welke reserve.
- Installatie — armaturen, sensoren en bediening aangesloten.
- Meten — hoeveel licht er werkelijk is, op het werkvlak.
- Inregelen — niveaus en regeling afstemmen op wat nodig is.
- Gebruiken — de regeling doet haar werk.
- Controleren en aanpassen — periodiek meten en zo nodig opnieuw inregelen: terug naar stap 3.
Kort gezegd
Principe
Een installatie kan technisch uitstekend ontworpen zijn. Maar als alle armaturen daarna permanent maximaal branden, blijft de regelruimte uit het ontwerp onbenut. Goed in bedrijf stellen betekent onder meer dat de werkelijk benodigde niveaus en de regeling op elkaar worden afgestemd.
Meer uitleg
Principe
Een berekening gaat uit van aannames: de lichtopbrengst van de armaturen, de kleuren en reflectie van de ruimte, het meubilair. In het echt valt dat anders uit. Daarom meet je bij oplevering op het werkvlak en regel je daarop in, in plaats van een getal uit de berekening over te nemen.
Principe
Periodiek meten en zo nodig opnieuw inregelen hoort bij beheer en onderhoud. Zo blijft het niveau kloppen als armaturen ouder en vuiler worden, en als de inrichting verandert.
Technische uitleg
Principe
Een lichtsensor is geen gekalibreerde luxmeter op het werkvlak. Een plafondsensor meet op zijn eigen positie het licht dat werkvlak, vloer en wanden terugkaatsen. Sensorpositie, reflecties, kalibratie en het ontwerp blijven dus bepalend; daarom kalibreer je de sensor ter plaatse met een luxmeter.
Meebewegen met het energiesysteem
Kan verlichting meebewegen met het energiesysteem van een gebouw?
Denkrichting
Kies een situatie. Doorgetrokken lijnen zijn stroom, stippellijnen zijn meten en sturen.
- Normaal. Het gebouw neemt minder vermogen af dan de afgesproken grens. Alles werkt zoals ingesteld.
- Machine start. Een machine start en het gebouw dreigt boven de grens te komen. Het energiebeheer ziet dat bij de meter en verdeelt: de batterij levert bij, en een geschikte lichtinstallatie regelt tijdelijk iets terug, maar blijft boven het minimum.
- Na de piek. De piek is voorbij. Het licht gaat terug naar het normale niveau en de batterij laadt weer op, binnen de grens.
- Veel zonnestroom. De zonnepanelen wekken veel op. De batterij laadt en de machine draait, maar het licht gaat niet feller branden: verlichting volgt wat de ruimte nodig heeft, niet het aanbod van stroom.
Noodverlichting doet niet mee: dat is een aparte installatie met eigen eisen. Het licht blijft boven wat de ruimte minimaal nodig heeft.
Kort gezegd
Denkrichting
Verlichting is een elektrische belasting die je bij geschikte systemen kunt terugregelen. Daardoor kan de verlichting soms even iets minder vermogen gebruiken als het gebouw met het beschikbare vermogen moet schuiven, bijvoorbeeld als een machine start. Dit is een denkrichting: het kan technisch, maar het is geen standaardfunctie en geen eis.
Meer uitleg
Op veel plekken in Nederland is het elektriciteitsnet vol. Bedrijven wachten op een nieuwe of zwaardere aansluiting, en netbeheerders maken afspraken over minder stroom op piekmomenten. Gebouwen gaan daarom slimmer om met hun vermogen: met een energiemanagementsysteem, batterijen, zonnepanelen en flexibele contracten.
Denkrichting
Zo zou het kunnen werken:
- Er komt een piek — een machine start en het gebouw dreigt boven het afgesproken vermogen te komen.
- Het energiemanagementsysteem ziet het — het meet het vermogen bij de aansluiting.
- Het verdeelt — bijvoorbeeld een batterij die bijlevert; en waar comfort en functie het toelaten, regelt een geschikte lichtinstallatie tijdelijk iets terug.
- Na de piek — het licht gaat terug naar het normale niveau.
Principe
Wat altijd blijft gelden:
- Het licht blijft boven wat de ruimte en de taak minimaal vragen.
- Noodverlichting en veiligheidsverlichting doen niet mee: dat zijn aparte installaties met eigen eisen.
- Comfort en gebruik gaan voor: terugregelen gebeurt rustig en tijdelijk.
- Wat kan, hangt af van het lichtmanagementsysteem, het gebouwbeheer en het energiemanagementsysteem, en van hoe die gekoppeld zijn.
Principe
En als de zonnepanelen veel opwekken? Dan is meer licht maken geen besparing: stroom gebruiken die je niet nodig hebt, blijft verspilling, ook als het zonnestroom is. Verlichting volgt wat de ruimte nodig heeft. Andere verbruikers, zoals een batterij of laadpalen, kunnen wel naar het moment met veel zonnestroom schuiven. Zo kan lichtsturing uiteindelijk een onderdeel worden van de totale energieregeling van een gebouw.
Technische uitleg
Principe
Verlichting is anders dan een warmtepomp of laadpaal: je kunt licht niet naar later verschuiven, alleen tijdelijk en beperkt terugregelen. In ruimtes die in gebruik zijn, kun je licht bovendien niet zomaar uitzetten. Daarom gaat het om kleine, geleidelijke stappen, en vaak alleen waar ruimte is boven wat de functie vraagt: bij veel daglicht, of in zones waar niemand werkt.
Waar het nu al gebeurt, en waar niet:
- Californië — de energieregels voor gebouwen eisen in bepaalde utiliteitsgebouwen verlichtingsregelingen die op een vraagsignaal automatisch het vermogen kunnen terugbrengen. Ruimtes waar veiligheidsregels dat niet toestaan, zijn uitgezonderd.
- LEED v5 — de credit Grid Interactive kan verlichting meetellen als een van de systemen met automatische vraagsturing.
- Nederland — overheidsinformatie over netcongestie noemt verlichting vooral bij besparen (led, sensoren, uit buiten werktijd), nog niet als flexibele last.
- Onderzoek — studies in de Verenigde Staten en Canada lieten zien dat dimbare verlichting pieken kan afvlakken, en dat kleine, geleidelijke stappen vaak niet worden opgemerkt.
Principe
Wat je vastlegt voordat verlichting meedoet:
- welke groepen mogen meedoen, en welke nooit;
- hoe ver en hoe lang het licht terug mag, per ruimte;
- wie het signaal geeft, en hoe het binnenkomt: via het gebouwbeheer, een open protocol of een schakelcontact (een eenvoudig aan/uit-signaal), afhankelijk van de systemen;
- hoe je test dat het werkt, en dat het licht daarna terugkomt.
Normen en certificering
Levert lichtsturing punten op voor BREEAM, WELL of LEED?
Drie vragen die vaak door elkaar lopen:
| Onderwerp | De vraag | Bijvoorbeeld |
|---|---|---|
| Energie | Wat doet de regeling werkelijk? | afwezigheid, daglicht, inregelen, zones |
| Normen en wetten | Welke eisen gelden voor het lichtontwerp en de installatie? | werkplekverlichting, automatische lichtregeling in utiliteitsgebouwen boven een vermogensgrens |
| Certificering | Waar kan de oplossing aan bijdragen, en met welk bewijs? | BREEAM-NL, WELL, LEED |
Kort gezegd
Een lichtregelsysteem is zelf geen BREEAM-, WELL- of LEED-certificaat en levert niet vanzelf punten op. Het kan bijdragen aan eisen in zo'n schema. Of dat meetelt, beslist de beoordelaar op basis van ontwerp, uitvoering en bewijs.
Meer uitleg
Wettelijke eis
Voor utiliteitsgebouwen boven een vermogensgrens voor verwarming of airconditioning zijn een gebouwautomatiserings- en controlesysteem (GACS) en, vanaf 2028, automatische lichtregeling wettelijke eisen. Wat ze vragen, vanaf wanneer en voor welke gebouwen, staat op een eigen pagina.
Zo leg je het verband met een certificeringsschema:
- Functie — wat de lichtregeling doet, zoals aanwezigheid, daglicht of bediening per zone.
- Eis — welk criterium in het schema daarover gaat.
- Bijdrage — hoe ontwerp en installatie aan dat criterium bijdragen.
- Beoordeling — het projectteam levert bewijs; de beoordelaar beslist.
Technische uitleg
Voorbeelden van functies en de eisen waar ze bij kunnen helpen:
| Functie | Wat het doet | Voorbeeld van een eis |
|---|---|---|
| Aanwezigheid | licht dat per zone vanzelf reageert op aanwezigheid | Wettelijke eis, geen certificering: de EPBD (de Europese richtlijn voor de energieprestatie van gebouwen) vraagt in art. 13 lid 12 automatische lichtregeling, per zone ingedeeld en in staat om bezetting te detecteren. Nederland heeft dat uitgewerkt in het Besluit bouwwerken leefomgeving: vanaf 2028 voor gebouwen zonder woningen boven een vermogensgrens voor verwarming of airconditioning. |
| Bediening per zone | verlichting die gebruikers per zone kunnen aanpassen | BREEAM-NL Nieuwbouw en renovatie utiliteit v6.1.1: HEA 02 Kunstverlichting (zonering en lichtregeling voor gebouwgebruikers) |
| Zones, niveaus en scènes | lichtzones, meerdere lichtniveaus of scènes en bediening door gebruikers | WELL v2: L09 Occupant Lighting Control |
| Energiemonitoring | verbruik meten en zichtbaar maken | BREEAM-NL v6.1.1: ENE 02 Energiemonitoring, als het project die meting werkelijk toepast |
| Vraagsturing | verlichting die op een signaal tijdelijk terugregelt | LEED v5: Grid Interactive, waarin verlichting een van de systemen met automatische vraagsturing kan zijn |
Wat het projectteam meestal vastlegt als bewijs:
- Het lichtontwerp met de zones en wie wat bedient.
- De ingestelde functies: aanwezigheid, nalooptijden, daglicht, scènes en de ingeregelde niveaus.
- Het opleverrapport en de testresultaten.
- Bij monitoring: welke gegevens waar terechtkomen.
Goed om te weten
- Eisen verschillen per versie en variant van een schema. Werk met de versie die voor het project geldt, zoals BREEAM-NL Nieuwbouw en renovatie utiliteit v6.1.1, WELL v2 of LEED v5, en laat drempels en voorwaarden door de adviseur bepalen.
- Of de wettelijke eis voor een gebouw geldt, en vanaf wanneer, hangt af van het vermogen van de installaties. Laat dat per gebouw vaststellen.