Lichtsturing ontwerpen
Van ruimtegebruik naar functioneel ontwerp
Kies een stap: je ziet wat erbij komt en wat je vastlegt.
-
Stap 1 · Gebruik en werking
Wie gebruikt de ruimte, wanneer, en wat moet het licht dan doen?
Wat leg je hier vast? Per ruimte het gebruik, wat er vanzelf gebeurt en wat de gebruiker zelf kan.
-
Stap 2 · Zones en groepen
Welke delen van de ruimte moeten apart reageren?
Wat leg je hier vast? De groepen, met een naam naar functie en plek, bijvoorbeeld gevelzone en binnenzone.
-
Stap 3 · Sensoren en bediening
Wat moet het systeem waarnemen, en wat wil de gebruiker zelf bedienen?
Wat leg je hier vast? Per groep welke sensor wat waarneemt, en welke knop wat doet.
-
Stap 4 · Regelgedrag en scènes
Wat doet het licht bij binnenkomst, bij veel daglicht en als iedereen weg is?
Wat leg je hier vast? Per groep: aan, dimmen, nalooptijd, basislicht, scènes en de weg terug naar de normale stand.
-
Stap 5 · Systeem en koppelingen
Welke opbouw past, en met welke systemen moet de lichtsturing samenwerken?
Wat leg je hier vast? De systeemopbouw, de koppelingen en wie wat levert, instelt en beheert.
-
Stap 6 · Testen en overdragen
Hoe weet je dat de ruimte doet wat je hebt vastgelegd?
Wat leg je hier vast? Een testplan per ruimte, de testresultaten, de instellingen en een back-up.
Zo werkt het
Tien praktijklessen
Een goed lichtsturingsontwerp begint bij het gebruik van de ruimte, niet bij de producten. Deze tien lessen zie je in bijna ieder project terug.
Meer over Tien praktijklessen
Ze gelden voor ieder systeem; hoe je ze uitvoert, verschilt per product.
Praktijkregel
De tien lessen:
- A. De sensor hangt waar het gebruik is — positie en aantal volgen uit waar mensen zitten en lopen, het detectieveld en de montagehoogte. Een sensor in ieder armatuur kan daarbij een bewuste keuze zijn. Meer: Sensorpositie.
- B. Groepen volgen de functie — een groep is de kleinste eenheid die apart moet reageren, zoals de gevelzone, de verlichting boven de tafel of die bij het scherm. Noem groepen naar functie en plek. Meer: Groepen.
- C. Drempel of constant licht — bij een drempel schakelt het licht alleen uit of aan als het daglicht boven of onder een ingestelde waarde komt; een constantlichtregeling dimt het kunstlicht traploos bij. Kies per ruimte. Deel de ruimte in aparte daglichtzones als delen van de ruimte duidelijk verschillend daglicht krijgen, zoals vaak langs de gevel. Meer: Daglichtregeling.
- D. Na handbediening neemt de automatische regeling weer over — het moet duidelijk zijn wanneer: bij vertrek, na een ingestelde tijd of met een knop, afhankelijk van het systeem en de gewenste werking. Leg dat per ruimte vast. Meer: Handbediening.
- E. Vanzelf aan of handmatig aan — vanzelf aan en vanzelf uit (aanwezigheidsdetectie), of handmatig aan en vanzelf uit (afwezigheidsdetectie). Een belangrijk deel van de besparing komt doordat het licht betrouwbaar uitgaat of terugregelt als het niet nodig is. Meer: Aanwezigheid en afwezigheid.
- F. Nalooptijd en basislicht — is de nalooptijd te kort, dan gaat het licht uit terwijl iemand stilzit; is hij te lang, dan brandt het licht onnodig. Basislicht voorkomt dat een ruimte in één keer donker wordt. Meer: Nalooptijd en Basislicht.
- G. Houd rekening met alle grenzen — tel bij een DALI-bus niet alleen de adressen, maar ook de busstroom (wat de busvoeding kan leveren), de kabellengte en de grenzen van het gekozen product. Houd bewust reserve. Meer: DALI.
- H. Leg vooraf vast wie wat doet — wie levert, installeert, stelt in en beheert, ook voor het netwerk en de koppelingen met andere systemen. Meer: Afspraken en demarcatie.
- I. In bedrijf stellen kent drie niveaus — geconfigureerd, fysiek gecontroleerd en functioneel getest. Pas als alle drie kloppen, is een ruimte klaar. Meer: In bedrijf stellen (commissioning).
- J. Test ter plaatse en leg het vast — test iedere functie met echte beweging en genoeg tijd, in een lege ruimte en zo nodig met tijdelijk kortere tijden. Stel de daglichtregeling in of kalibreer hem volgens de methode van het gekozen systeem, en controleer het resultaat ter plaatse met een luxmeter. Controleer of alles na een spanningsonderbreking weer goed werkt. Lever de instellingen, de testresultaten en een back-up op.
Goed om te weten
- Deze lessen vervangen het ontwerp zelf niet: ieder gebouw, iedere ruimte en iedere gebruiker vraagt een eigen afweging.